DE WERELD NU

Bewijs in het tuchtrecht is niet strikt noodzakelijk

tuchtrecht

In het tuchtrecht dient voorkomen te worden dat een volstrekt onschuldige een tuchtstraf oploopt, betoogde Toon Kasdorp. Maar er is meer.

Toch is het zeer wel mogelijk dat iemand – die door eigen schuld onder een zware verdenking staat – de goede naam van de beroepsgroep zodanig heeft aangetast dat handhaving als beroepsgenoot niet langer mogelijk is. In het strafrecht verdient een verdachte de uiterste benefit of the doubt, in het tuchtrecht is dat niet het geval.

De Nederlandse Orde van Advocaten heeft zich zelf en het publiek geen recht gedaan door herhaaldelijk bij bewezen klachten wegens grove overtredingen van de wet of de gedragsregels af te zien van schrapping van het tableau van de onder verdenking gekomen advocaat. Dat gebeurde dan doorgaans vanwege de financiële gevolgen voor de betrokkene of diens naaste familie. Maar iemand die zich zelf door zijn gedrag als beroepsgenoot diskwalificeert dient evenmin in de gelegenheid te blijven het beroep uit te oefenen als iemand die de technische kwalificaties daartoe mist.

Iets dergelijks kan zich voordoen als toezicht op het gedrag van belangrijke functionarissen in de samenleving niet door een tuchtrechter maar door een publiek orgaan wordt uitgeoefend. DNB en de AFM handhaven de regel dat directeuren van financiële instellingen van onbesproken gedrag dienen te zijn. De technische uitdrukking voor een overtreding van die regel is dat iemands betrouwbaarheid naar het oordeel van de toezichthouder niet buiten twijfel staat.

Gedrag kan besproken raken zonder dat het vermoeden van onrechtmatigheid ooit in strafrechtelijke zin bewezen wordt. Wanneer iemands gedrag binnen de eigen instelling, in de pers of in de financiële wereld besproken wordt op grond van een integriteits-issue, dan is er al sprake van twijfel over zijn betrouwbaarheid. ‘Bespreking’ van iemands gedrag bij de instelling zelf, in de pers of in de financiële wereld hoort voor de toezichthouder nog geen aanleiding te zijn om in te grijpen en dat gebeurt voor zover kan worden nagegaan ook niet.

Wel kan het aanleiding zijn voor het starten van een feitenonderzoek, de eerste stap in de onderzoeksprocedure. Ingrijpen dient uitsluitend gebaseerd te worden op een procedurele beoordeling van de integriteit van het gedrag zelf. Maar het in gang zetten van een dergelijke procedure kan daarom toch wel degelijk plaats vinden in reactie op geruchten.

De toezichthouder zal in het kielzog van de bestuursrechter niet vlug een formeel besluit nemen als het niet over (strafrechtelijk) sluitend bewijs beschikt, maar is wel geneigd een informeel signaal af te geven als het meent dat de positie van de betrokkene feitelijk onhoudbaar is geworden. Het lijkt me vanzelfsprekend dat een behoorlijk toezichthouder ook geen informeel signaal afgeeft als hij zich niet geheel zeker voelt van zijn zaak.

Maar zich zeker voelen en beschikken over bewijs in de bovenbedoelde zin is toch iets anders. Met name als er goede redenen zijn waarom de zaak liever niet in de publiciteit zou moeten komen lijkt de neiging om de informele weg te bewandelen aanwezig en op die weg is toch onvoldoende rechtsbescherming voor de betrokkene aanwezig. Het informele ingrijpen van het orgaan kan daarom onder omstandigheden wenselijk zijn, maar dat ingrijpen dient dan volgens rechtsregels plaats te vinden. Dat zijn dan weliswaar niet de regels van het strafrecht, maar willekeur van het toezichthoudende orgaan dient niet voor te kunnen komen.


Dit artikel over tuchtrecht verscheen eerder op het Blog van Toon Kasdorp