DE WERELD NU

Verloren onschuld

racisme onderzoek

Het zal in het late voorjaar van 1990 zijn geweest, dat ik op een lezingenmiddag van de Amsterdam Summer University terecht kwam. Het onderwerp van de dag was homosexualiteit, en ik verdwaalde daar met een gezelschap via een schoonfamiliale connectie, waarvan iemand een der sprekers was.

De strekking van de lezing van mijn kennis ligt me niet meer bij, iets wat veel toehoorders ter plekke al overkwam, maar de lezing die een docente van de Summer University gaf des te meer. “Lesbian Ethics” was het onderwerp, een veelbelovende titel. Ik werd niet teleurgesteld.

Het onderwerp lag de docente duidelijk na aan het hart. Niet alleen had ze er over gepubliceerd; dat ze zich er ook persoonlijk bij betrokken voelde was onmiskenbaar. Teneur was dat lesbiennes anders met elkaar omgingen dan hetero’s.

Daar moest ik wel enigszins om grinniken; twee weken daarvoor had ik in het studentencafé waar ik als portier werkte een gevecht tussen twee dames moeten beëindigen die vochten om een vriendin, die lichtelijk verveeld de uitslag van het gevecht afwachtte alvorens haar gunsten te verlenen. Deze dames deden het inderdaad heel anders dan wat ik van vechtende vrouwen gewend was. Vrouwen die onderling in fysiek gevecht verwikkeld raken vallen elkaar meestal aan met hun nagels, om niet zelden te eindigen in een patstelling, met hun handen stevig gewikkeld in elkaars haardos. Voor niet-betrokken toeschouwers kan dit hilarische taferelen opleveren, maar echt leuk is het niet. De lesbiennes uit mijn kroeg sloegen met de blote vuist op elkaar in, en de verliezer moest ik helpen met haar blauwe oog.

Bovenstaande anecdote ging natuurlijk in tegen de gedachte die de docente verkondigde, maar als je je in dat soort zaken aan casuïstiek schuldig gaat maken blijf je aan de gang. Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig wat haar onderzoek had opgeleverd. Dat viel niet mee, want het bleek niet zozeer om een kwantitatieve maar een kwalitatieve analyse te gaan. In het kort: een theorie gebaseerd op een gedachte, met vrij selectieve ondersteuning. Dat werd me te gortig, en ik besloot bij de gelegenheid tot vragen na afloop een duit in het zakje te doen.

Hoe doe je zoiets? Je stelt eerst twee domme geïnteresseerde vragen (enthousiast bevestigend beantwoord), om zeker te zijn dat het zo bedoeld was als het klonk, om af te sluiten met de derde vraag: “Dus, … eh .., als ik het goed begrijp, zijn lesbiennes eigenlijk betere mensen?”

Dat was natuurlijk niet aardig, maar wel volstrekt dodelijk. Hoe pijnlijk de denkfout in de formulering van het basisprincipe was, was ook de zaal helder.

Aan bovenstaande moet ik vaak denken, als ik in de reacties onder een willekeurig stuk mensen met het argument zie komen, dat de ‘linksen’ toen en toen zich toch zo vreselijk misdragen hebben, in een poging hun eigen gelijk te versterken door anderen moreel onderuit te schoffelen. Zelf maak ik de kracht van mijn argumenten niet graag afhankelijk van het morele handelen van anderen, want het is eerder een zwaktebod dan een versterking van wat je betogen wilt. Bovendien maak je je ontzettend kwetsbaar, want als iemand uit ‘eigen’ kring zwaar over de schreef gaat, haalt dat je eigen argumenten met terugwerkende kracht onderuit.

De mensen die zich van dit type argumenten bedienden zullen we de komende tijd niet meer horen. Ze hebben vorige week hun onschuld verloren. De moordpartij in Noorwegen heeft voor langere tijd een einde gemaakt aan de basis van morele zelfingenomenheid waarmee dit soort argumenten gewoonlijk wordt gehanteerd, en dat is een klein positief punt. De Pavlov-reacties die op dit moment op sites van de politiek tegengestelde zijde los zijn gemaakt, zijn natuurlijk van hetzelfde laken een pak. Maar op dit moment kan ik niet anders dan ze beschouwen als een gevoel van opluchting, dat men het ongemak dat men erover hoe dan ook moet hebben ervaren, achter zich kan laten. Want al vallen de aantallen in het niet bij wat een Pol Pot heeft aangericht, de gedachtenpatronen in de denkwereld van Anders Breivik lijken sterke overeenkomsten te hebben met die van deze psychopathische moordenaar.

Het valt in ieder geval te hopen dat mensen die deze manier van debatteren tot hun handelsmerk hebben gemaakt, zich de komende tijd wat stiller zullen houden. Wat zou helpen, is dat opiniemakers van beide zijden van het politieke spectrum dit eens helder zouden uitspreken, en er van tijd tot tijd nog eens op terugkomen. Moreel geschreeuw is in een debat eerder verstikkend dan verhelderend.