DE WERELD NU

Kunst? Ego!

klimaat

We zijn decadent. Het is een beetje een goedkoop openingsstatement, maar ik houd van helderheid.

De decadentie is overal om ons heen terug te vinden: in onze verkrampte maatschappelijke ordening, in de hysterische wijze waarop onze rechtsspraak tracht absolute waarheden te realiseren die slechts bestaan in een illusoir paradijs dat ons nooit zal geworden, en in de kunsten die een reflectie zouden moeten zijn van onze idealen. Er is meer, natuurlijk. Ons leven is er mee doordesemd, zodanig, dat we het ons nog zelden bewust zijn.

Op bijna onmerkbare wijze werd ik uit mijn sluimer gewekt door een artikeltje achter op het NRC Handelsblad van gisteravond. Het is lang geleden dat ik op die krant geabonneerd was, en ik mis haar niet. Behalve wellicht om de stukjes op de achterpagina, waarop ooit de fine fleur van de Nederlandse columnisten zich verzamelde. Ooit.

Het was aldus met enige weemoed dat ik me liet leiden naar die plek waarop een zeer lezenswaardig stukje van Gerrit Komrij stond. Hij had een negatieve mening over het blije van alledag, waarbij ik slechts instemmend kon knikken. Komrij begrijpt het.

Nu ik er toch was, bekeek ik de rest: in Amsterdam-West wordt een beeldhouwwerk geplaatst. Nu is de oorsprong van het beeldhouwen de substantiëring en meerdere glorie van het goddelijke, en lang was dat haar enige functie. Met de opkomst der beschavingen voelden ook de heersers daarvan zich voldoende god in eigen land om zich ook via steen te laten verheerlijken voor het nageslacht. Zo doende ontstond de vergoddelijking van de mens in steen, maar nog steeds was het een eerbetoon. Beeldhouwers lijken het nog steeds zo te zien, de werken van iemand als Rodin, en met hem vele anderen, stralen dat uit.

In het begin van de 20e eeuw begon het perspectief te kantelen, en kreeg ook het abstracte zijn plaats in de beeldhouwkunst. Het is niet gemakkelijk het abstracte te verbinden met een religieus eerbetoon, en dat gebeurde dan ook steeds minder. De beeldhouwkunst raakte los van zijn wortels. De kunstenaars lijken nog nauwelijks te beseffen wat hun wortels zijn. Ik chargeer, natuurlijk, maar met voldoende reden om zulks te rechtvaardigen.

Terug naar Amsterdam-West. Het liefst een beeld met het Ajax-logo, wilden de jongeren in de probleemwijk waar het beeld zou komen te staan. Die jongeren snapten het. Iets wat je belangrijk vindt, iets dat je wilt eren. Het beeld kwam in hún park, ze zouden er ook bij gaan helpen, in de gedachte dat ze zo meer betrokken zouden raken bij het wel en wee van de buurt.

Maar het werd dus een beer.

Een betonnen beer van tien meter hoog, met een kussen onder zijn arm.

De jongens hebben hun inspraak gehad, en de kunstenaar heeft met hen gesproken. Niet dat de kunstenaar de jongens heeft weten te overtuigen: er was een budget, er was een plek, er was een kunstenaar. Dat was genoeg. De jongens deden niet meer mee. Dat vindt de kunstenaar niet erg, want het gaat om wat híj vindt. Nu.

In het artikeltje vinden we nog wat zelfgenoegzaam gepruttel over buurtbewoners die soms komen kijken. Alsof ze er omheen zouden kunnen, midden in hun wijk. Nu staat er in zijn naaktheid het in beton gegoten opgeblazen ego van deze moderne kunstenaar, die nog steeds iets goddelijks denkt te verheerlijken. Namelijk zichzelf.

Het is jammer dat er zo’n grote speld voor nodig is om een tien meter hoge beer van beton te vernielen, want de aanvechting broeit in mij. En ik ben er zeker van dat de jongens uit die buurt me graag zouden helpen. Al was het maar als uiting van hun cultuur.