DE WERELD NU

Individualisme – stad versus platteland

Individualisme

Individualisme is een kenmerk van onze samenleving en voor zover wij weten niet van eerdere samenlevingen.

Individualisme houdt onder meer in dat in ons scala van waarden het individuele mensenleven voorop staat. De samenleving dient in onze ogen om voor individuen een fatsoenlijk leven mogelijk te maken. Zij bestaat in de ogen van de mensen die haar bestuderen uit de optelsom van de relaties tussen individuen en wordt niet als een zelfstandig biologisch organisme gezien.

Ieder individu heeft in de westerse samenleving het recht op leven, vrijheid en het streven naar geluk, zegt de onafhankelijkheidsverklaring van Amerika. Met de nieuwe sociale grondrechten kunnen daar een recht op inkomen, onderwijs en op schoon water aan worden toegevoegd.

Wij erkennen in navolging van Immanuel Kant eigenlijk maar één wereldsamenleving. De hoge waarde van al die rechten die bescherming verdienen is niet beperkt tot de kernlanden  van de westerse samenleving. Ook in de rest van de wereld, in Afrika en de Arabische landen kan er aanspraak op worden gemaakt. Dat zijn aanspraken jegens de wereldsamenleving en dat wil in de praktijk zeggen jegens het westen. Alle wereldburgers zijn lid of tenminste potentieel lid van deze samenleving. Een ballotage kennen we niet. De oorlog van George Bush en Jan Peter Balkenende tegen Saddam Hoessein moet meer vanuit dat gezichtspunt worden gezien dan vanwege de wapens van massale destructie die in Irak zouden liggen.

Dat hele idee van individualisme en de rechten van het individu is een sterke katalysator geweest in het succes van de westerse beschaving, want het was de motor van de moderne samenleving en die heeft grote aantrekkingskracht voor mensen erbuiten.

Maar het is tegelijkertijd een zwakte. Het is dat onder meer omdat mensen uit andere culturen er een eenzijdig beroep op kunnen doen. Ze kunnen tegenover het westen de bescherming van de mensenrechten opeisen en hier burgerrechten claimen zonder deze  op hun beurt aan anderen te gunnen. Ze kunnen dat doen zonder met de regels van hun eigen samenleving in conflict te komen. Ze kunnen dat omdat ze tot onze samenleving worden toegelaten terwijl ze door hun etniciteit of godsdienst toch deel van een andere cultuur blijven uitmaken.

Industriële Revolutie

Wij gaan ervan uit dat onze beschaving, die de Industriële Revolutie tot stand gebracht heeft de beschaving bij uitstek is en dat de andere nog bestaande culturen op de wereld zich daar bij aan zullen passen. We zien – waarschijnlijk terecht – de Industriële Revolutie als een stap in de evolutie van de menselijke soort. Een stap die vergelijkbaar is met de eerdere revolutie die de landbouwsamenleving in het leven geroepen heeft. We maken geen onderscheid meer tussen onze beschaving en de productieve krachten die er door zijn losgemaakt.

Het extra aantal mensen dat als gevolg van de grotere productie wereldwijd in leven kon worden gehouden was bij de landbouwrevolutie al groot. De Industriële Revolutie zorgde opnieuw voor een extra toename van de wereldbevolking. De landbouw heeft de weg vrijgemaakt voor het ontstaan van steden en de steden op hun beurt hebben de culturele ontwikkeling mogelijk gemaakt, die de basis heeft gevormd van de Industriële Revolutie. In zekere zin is ook die daarom een laat maar onmiskenbaar gevolg  van de landbouwrevolutie.

Landbouwrevolutie

De culturele ontwikkeling die in het spoor  van de landbouwrevolutie plaats vond moet men niet in de eerste plaats zoeken bij de boeren. Boeren maakten de steden mogelijk, maar voor zover ze niet aan het leven in de steden deelnemen blijven ze in cultureel opzicht achter.

Boer is een eenzaam  beroep. Het is individualistisch in de letterlijke betekenis van dat woord. Er zijn wel activiteiten die men samen met anderen beoefent, maar door het jaar heen zijn er dat niet erg veel. Boer is vanouds een beroep geweest dat door de eeuwen heen hetzelfde bleef en weinig eisen stelde aan de inventiviteit van de beoefenaar. Veel werkzaamheden waren repetent en eens geleerd bleven ze een leven lang hetzelfde.

Dat is tegenwoordig niet meer zo. Landbouw is in veel opzichten nu de agrarische tak van industrie geworden en veel minder onveranderlijk dan het vroeger was. Minder individualistisch ook. Boeren vormden vroeger een heel groot percentage van de bevolking, met naar verhouding weinig invloed op het verloop van de geschiedenis en de ontwikkeling van de samenleving. Nu vormen ze een veel kleiner percentage, maar de landbouw als tak van economische activiteit heeft een productiviteit die met ordes van grootte is toegenomen. Dat is net als in de rest van de samenleving een gevolg van de arbeidsverdeling  en onderlinge samenwerking zoals Adam Smith die beschreef in zijn Wealth of Nations.

Jagen en verzamelen zijn werkzaamheden die een veel zwaarder beroep doen op de intelligentie dan pre-industriële landbouw. Verzamelen vereist kennis van de natuur en een verstandige planning van werkzaamheden in uiteenlopende territoria en jaargetijden. Werkverdeling en kennispooling bij verzamelen is productief. Bij het jagen op groot wild is samenwerking een absolute noodzaak, anders is het te gevaarlijk.

Ook het jagen op kleiner wild vereist een leven in groepsverband door het grote risico van mislukking bij de jacht. Het aantal keren dat een eenzame jager thuis komt zonder buit is niet gering. Zonder de opbrengst van andere jagers en vooral van de verzamelaars zouden de jagers te vaak zonder voedsel blijven om te kunnen overleven.

De groepen jagers-verzamelaars die miljoenen jaren onze voorouders zijn geweest varieerden in grootte, afhankelijk van de ecologische omstandigheden en het vermogen om onderling te communiceren.

Afgemeten aan de omvang van de groepen mensen die in onze eigen tijd in Steentijdomstandigheden leefden moet de variabele omvang tussen enige tientallen en enige honderden hebben gelegen. Een groep hominiden van die omvang heeft geen natuurlijke vijanden en heeft een vorm van sociale organisatie en communicatie die de ontwikkeling van intelligentie bevordert. Een groep die veel groter is produceert met verzamelen en jagen te weinig voedsel om in een gemiddeld territoir in stand te kunnen blijven.

Een commune van boeren heeft aanmerkelijk minder sociale interactie dan een groep jager-verzamelaars, terwijl  het verkrijgen van voedsel gemakkelijker is en met minder risico’s gepaard gaat. Hard en gedisciplineerd werken gedurende de tijden dat dit nodig is, zijn de vereiste eigenschappen, maar in het algemeen zal een boerenbevolking in intellectueel opzicht minder bijdragen aan de ontwikkeling van een samenleving dan een stedelijke. Het is niet de boer, maar de stedeling die in een omgeving leeft waar de biologische voorgeschiedenis van hominiden een voorbereiding voor geweest is.

Een stedeling produceert zijn voedsel en onderdak niet zelf en was vanouds van zijn intelligentie, handvaardigheid en sociale kwaliteiten afhankelijk voor zijn onderhoud. Dat is de laatste honderd jaar in snel tempo veranderd, door dat de overheid zich verantwoordelijk heeft gesteld voor mensen die niet voor zich zelf kunnen zorgen. Het onderscheid tussen boeren en stedelingen is daarom min of meer ongemerkt in zijn tegendeel verkeerd.


Dit artikel verscheen eerder op het Blog van Toon Kasdorp

Artikelen en essays waarin individualisme een belangrijk onderwerp is vindt u hier op Veren of Lood.

3 reacties

  1. Cool Pete schreef:

    Leerzaam artikel.

    Het individu is een schepping van de joods-christelijke beschaving.

  2. Johan P schreef:

    Ik moet hier toch wel een aantal kanttekeningen bij zetten.
    Het idee dat het boerenbedrijf heel erg repetetief werk betreft is wel correct, maar het idee dat men daarbij minder intelligentie, minder samenwerking en minder communicatie nodig heeft is incorrect, evenals het idee dat er veel minder innovatie bij zou komen kijken. Het idee dat een commune van boeren minder sociale interactie zou hebben dan jagers/verzamelaars zie ik ook nog niet zo, meer dat het op andere tijden gebeurt.
    Landbouw, zelfs in de oudere vormen vereist gewoon een geheel ander stelsel van waarden en communicatie dan het jagen/verzamelen.
    Dat de boerenstand minder bijdraagt aan de intellectuele ontwikkeling dan de stedeling is een gegeven, hoewel dat uiteindelijk maar opgaat voor een zeer klein deel van de stedelijke bevolking. De doorsnee stratenmaker, loodgieter, gemeentereiniger, ambtenaar, agent, rioolwerker en ga zo maar door levert een net zo grote of kleine bijdrage. Het gaat uiteindelijk om het -van oudsher- kleine deel van de bevolking dat zich volkomen vrij kon maken van de dagelijkse beslommeringen om echt te werken aan dergelijke zaken. Daar is niet veel in veranderd, we hebben wel meer studenten, maar men kan wel enige vraagtekens plaatsen bij het nut van een zeer groot deel van die studies.

    Waar wijlen de heer Kasdorp wel de spijker op de kop slaat is dat de boerenstand nu nog slechts een zeer klein deel van de bevolking is die toch de gehele bevolking nog steeds voedt. Alleen wordt dat niet bepaald in dank afgenomen, in tegendeel zelfs.

  3. Hannibal schreef:

    @Johan P.
    Tegen het einde zie je dat TK ook de evolutie in het werk benoemd. Waar hij het over repetetief heeft, wordt kennelijk de vroege middeleeuwen benoemd oid. Toen in Nederland het gemengd bedrijf opkwam was dat idd al niet meer waar.