DE WERELD NU

Kwaliteit en problemen van het strafrecht

Artikel 140, strafrecht, schizofreen beleid 1

Over de kwaliteit van het strafrecht valt veel te zeggen, en er is even zo veel reden er ontevreden over te zijn. Dat is niet zonder goede redenen.

Wie als rechter of als advocaat in Nederland voor zijn genoegen en uit vrije wil strafrecht doet is een uitzondering. Rechterlijke ambtenaren in opleiding, Raio’s, vermijden het als het kan. De grote advocatenkantoren doen er niet aan of hebben er een mini-afdelinkje voor, net als voor vreemdelingenzaken en familierecht. Wie op latere leeftijd de rechterlijke macht ingaat doet nog liever bestuursrecht dan strafrecht als hij kiezen kan. Toch is strafrecht het onderdeel van het recht waar de buitenwereld in de eerste plaats aan denkt, als er over advocaten en rechters wordt gesproken.

Slechte betaling zou een reden voor advocaten kunnen zijn om zich niet met strafrecht bezig te houden, maar dat geldt niet voor rechters of Raio’s. Die verdienen evenveel, of ze nu burgerlijk, bestuurs- of strafrecht doen

Er zijn nog twee andere redenen die je vaak hoort, waarom mensen stafrecht mijden. Men vindt het saai werk en strafrecht is juridisch gesproken ook een lelijk stuk recht.

Saai omdat de meeste strafzaken heterdaadjes zijn en dan op elkaar lijken als druppels water. Er is weinig eer mee te behalen voor advocaten en het OM. Lelijk, want het zit niet logisch in elkaar en is onvoorspelbaar voor wie er zich niet dagelijks mee bezig houdt.

Die onvoorspelbaarheid, die vind je ook wel in het arbeidsrecht en het huurrecht en dat zou dan komen omdat het – anders dan het burgerlijk recht – zo nieuw is allemaal. Ik geloof er niet zo in dat alle nieuwe wetgeving noodzakelijk slecht of onvoorspelbaar zou zijn en dat het vroeger allemaal beter was. In elk geval is dat geen argument bij het strafrecht, dat juist een van de oudste delen van het recht is.

Voorspelbaarheid in het recht, dat wil zeggen dat de wet en de jurisprudentie een vorm van behandeling van juridische problemen inhouden waar je zelf ook voor zou kunnen hebben gekozen, omdat zij logisch is en voor de hand ligt. Het burgerlijk recht heeft in het algemeen deze voorspelbaarheid.

Een overeenkomst bijvoorbeeld bindt degenen die hem zijn aangegaan. Dat ligt voor de hand. Als een van de twee partijen bij de overeenkomst zich vergist heeft over het onderwerp van de overeenkomst, dan bindt de overeenkomst hem niet. Ook logisch. Maar dat kan weer anders liggen als de vergissing nogal dom was en de andere partij erg benadeeld zou worden als de overeenkomst niet zou worden nagekomen. Zo is het burgerlijk recht opgebouwd en ook als de keuzes niet altijd dwingend lijken dan nog zijn ze redelijk en kunnen de meeste mensen het allemaal goed volgen en er mee leven, ook wanneer ze van de rechter ongelijk krijgen.

Het strafrecht heeft als ik het goed zie vroeger dit karakter ook wel gehad maar daar is de klad ingekomen in de 18e eeuw, aan de vooravond van de Franse Revolutie en om hele goede redenen trouwens.

De 17e en 18e eeuw, dat was de tijd van het Ancien Regime en de standenmaatschappij. Dit hield onder meer in dat het recht niet voor iedereen gelijk was en dat met name de personen uit de adelstand zich tegenover iemand uit de derde stand van alles konden veroorloven zonder dat het slachtoffer daarvoor een beroep kon doen op de rechter.

Dat werd alom als een misstand aangevoeld en al voor de revolutie is daar het nodige aan gedaan.

Vanouds was het strafrecht ingericht om de dader zo efficiënt en afschrikwekkend mogelijk te straffen, zodat iedereen wist dat er met de overheid niet te spotten viel en verder niemand op het idee kwam om het recht in eigen hand te nemen. Er werd mee bereikt dat het duidelijk was welke normen belangrijk zijn, wat goed beschouwd ook het doel is van het strafrecht.

In de achttiende eeuw kwam er een tweede element bij in het strafrecht: de bescherming van de burger tegen de overheid. Iedereen wordt sindsdien geacht onschuldig te zijn totdat een delict wettig en overtuigend tegen hem is bewezen. Een burger hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Hij mag bij ondervragingen zijn mond houden en bekentenissen kunnen niet worden afgedwongen. Hij heeft het recht op een fair proces in de openbaarheid. Allemaal logisch en redelijk maar het betekent wel dat het strafrecht niet langer vanuit één maar vanuit twee beginselen werd geschreven die onderling regelmatig botsen: handhaving van de belangrijkste normen in de samenleving aan de ene kant en de bescherming van de burger tegen zijn overheid aan de andere.

Een opsporingsambtenaar en een officier van justitie zien als hun taak om boeven achter de tralies te krijgen. Dat heeft te maken met het eerste beginsel van het strafrecht. Advocaten hebben tot taak burgers te beschermen tegen de overheid. Dat heeft te maken met het tweede beginsel. Zolang iemand van een misdrijf alleen maar beschuldigd wordt staat het volgens de wet niet vast of we nu met een boef of met een arme burger te maken hebben. Dat komt pas vast te staan nadat er vonnis is gewezen door de rechter. Maar het hele proces door is de beklaagde een boef voor de vervolgende instanties en een arme burger die bescherming nodig heeft voor zijn advocaat. Dat is lastig voor de rechter en de pers op de publieke tribune, want iedereen heeft toch de neiging om ook tijdens het proces alvast een voorlopig oordeel te vormen, de verdachte heeft het wel gedaan of niet gedaan. Meestal denkt men, hij heeft het wel gedaan, anders stond hij daar niet.

Dan is het ook nog zo, dat bewijs in het strafrecht iets anders is dan in de gewone wereld en ook iets anders dan in de rest van het recht. Delicten moeten wettig en overtuigend worden bewezen. Dit houdt twee dingen in. De rechter moet in gemoede overtuigd zijn dat de verdachte heeft gedaan wat hem ten laste is gelegd. Het bewijs moet bovendien met wettige middelen zijn geleverd. Heeft de politieagent bijvoorbeeld een gesprek van de verdachte afgeluisterd met een afluisterapparaat, zonder voor dat afluisteren van tevoren toestemming van de bevoegde autoriteit te hebben gevraagd, dan is het daarmee verkregen bewijs niet wettig. Houdt de politieman een auto aan zonder dat hij een redelijke grond heeft om de bestuurder te verdenken en treft hij in de auto verdovende middelen aan, dan kan hij daar niets mee: onrechtmatig verkregen bewijs. Er zijn veel strafzaken die op dit soort dingen stuk lopen. Dat lijkt verkeerd. Er zijn andere en betere sancties denkbaar tegen ambtenaren die over de schreef gaan dan een verdachte op vrije voeten stellen, van wie de schuld zeer aannemelijk is, al had de rechter die schuld nog niet vastgesteld.

Wettig en overtuigend bewezen, dat betekent nog niet honderd procent zekerheid. Dat blijkt wel uit de rechterlijke dwalingen die van tijd tot tijd aan het licht komen. Het feit dat iemand met een zeer grote mate van zekerheid een misdrijf heeft gepleegd en daarvoor ook vervolgd wordt leidt van de andere kant niet noodzakelijk tot zijn veroordeling. Neem het volgende voorbeeld: een man wordt verdacht van tien verschillende niet samenhangende misdrijven en van ieder daarvan is de kans dat hij het niet gedaan heeft kleiner of gelijk aan 20%. Ze worden hem alle tien ten laste gelegd. Voor elk van de misdrijven geldt dat de tenlastelegging tegen de verdachte niet overtuigend is bewezen. Hoewel de kans dat hij niet ten minste een van de ten laste gelegde delicten heeft begaan verdwijnend klein is[1], wordt hij van alle tenlasteleggingen vrijgesproken. Dat hangt samen met een andere karakteristiek van het strafrecht. Het is niet gericht tegen boeven, het is gericht tegen misdrijven.

Of iemand voordat hij in de rechtszaal verschijnt een oppassend burger is geweest dan wel zijn hele leven in het crimineel milieu heeft doorgebracht doet niet ter zake. Recidive komt enigszins tot uiting in de strafmaat en dat is dat. Ook de verstokte crimineel en bendeleider geldt in ieder nieuwe procedure tot het misdrijf tegen hem bewezen wordt processueel als een oppassende burger.

Tot de hersengymnastiek die hiervoor nodig is, is de officier van justitie en is vooral de opsporingsambtenaar vaak niet in staat. Hun taak is het om boeven te vangen of zo zien ze het in elk geval; de man die terecht staat is in hun ogen een boef, anders waren ze aan de zaak niet begonnen.

Dit houdt in dat al die regels die gemaakt waren om de onschuldige burger te beschermen tegen machtsmisbruik van de overheid, door het vervolgend apparaat worden gezien als even zovele belemmeringen op het pad van hun taakvervulling. Formeel allemaal wel in orde en in bijzondere gevallen waarin er redelijk twijfel kan zijn aan iemands schuld wel nodig ook, maar in het geval van echte boeven een pain in the neck.

In de praktijk wil het daarom nog wel eens gebeuren dat, ter wille van de rechtvaardigheid en ten behoeve van wat gezien wordt als een billijke rechtstoemeting, met de formaliteiten een loopje wordt genomen. Het gebeurt dat advocaten net zolang bij hun cliënten worden weggehouden tot deze een bekentenis hebben afgelegd of dat er afgeluisterd wordt en het resultaat daarvan niet in het dossier terechtkomt. Het resultaat wordt gebruikt om op andere en meer reguliere wijze achter dezelfde informatie te komen die dan wel geschikt is voor het dossier. Advocaten en ook veel rechters zien dit als een betreurenswaardige beroepsdeformatie en dat is terecht. OM en politieambtenaren komen tot dit gedrag omdat zij er oprecht van overtuigd zijn dat het evenwicht tussen de twee uitgangspunten van het strafrecht verloren is gegaan en zij op een bizarre manier in hun taak worden belemmerd.

Een dergelijke resultaatgerichte taakopvatting, die in andere omstandigheden moet worden toegejuicht, leidt hier tot normafwijkend gedrag bij de vervolgende instanties. Wanneer de wet niet meer als hulpmiddel maar als belemmering van de vervolging wordt gezien, kun je rare reacties verwachten bij de vervolgende instanties. Het lijkt onverstandig dit verschijnsel alleen vanuit de morele hoek te bekijken. Het is ook een rechts-organisatorisch probleem. Efficiëntere wetten, gebaseerd op een modernere afweging van belangen van burgers en het publieke belang zouden ons justitiële systeem kunnen verbeteren.

Het is de wereld van de deskundigen, die bepaalt hoe ons strafrecht is ingericht en wat wel en niet relevant is wanneer er bezwaren worden aangevoerd tegen het functioneren van het systeem. Dat zijn de strafrechters, de gespecialiseerde advocaten, enkele officieren en een handjevol deskundigen op het departement en de universiteiten. De niet-deskundigen, die wel met de gevolgen te maken hebben van de gebreken in het strafrecht komen er net aan te pas. Dat moet betreurd worden, meen ik, want strafrecht is een veel te belangrijk element in de samenleving om zomaar aan deskundigen over te laten.


  1. 0,2 tot de macht 10

Dit essay verscheen eerder op het Blog van Toon Kasdorp

Meer over strafrecht vindt u hier.

1 reactie

  1. Raymond Peil schreef:

    Heerlijk weer, zo’n opfriscursus voor juristen van Ome Toon ;=)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.