DE WERELD NU

Voetballen mag wèl van Allah – of: de kinderhand van F. Halsema

Vorig jaar september verscheen de zogenaamde ‘lettertobaghdadi’: een open brief aan de ‘Kalief van Raqqa’, de baas van IS (Islamic State), ondertekend door 126 leden van de oelema: de kaste van de mohammedaanse ‘schriftgeleerden’. Al snel daarna publiceerde F. Halsema een lovende column over deze bizarre tekst.

Geen analyse
Halsema beleefde in 2010 een hoogtepunt in haar politieke carrière: ze kreeg steun van bijna de hele Tweede Kamer voor haar motie-met-dubbele-ontkenning over islamisering: het tégengaan daarvan mocht géén doelstelling zijn van het beleid van het aantredende kabinet.

Via De Correspondent maakte ze zich boos over ‘de media’: “De brief kreeg nauwelijks aandacht. De kranten maakten er alleen melding van op hun sites, analyses ontbraken. Op televisie werd er geen aandacht aan besteed.” Zelf inmiddels werkzaam in de media, maar in haar eigen tekst geen spoor te bekennen van iets dat aan een analyse deed denken. Zeer oppervlakkig en bijna lyrisch over het gezelschap der ondertekenaars.

Wanneer je wat af weet van de materie en je je daadwerkelijk gebogen hebt over de open brief zelf en de achtergrond van die ‘geleerden’, kun je alleen nog maar hopen dat de schrijfster vroeg dementerend is. Het alternatief zou namelijk zijn dat we hier te maken hadden met pathologische leugenachtigheid.

Geen eenstemmigheid
Halsema heeft het over de “wereldwijde eenstemmigheid die uit de brief spreekt”. Waar háált ze het vandaan! Uit de diverse beweringen in de verklaring zélf, van het type: ‘iedereen is het met ons eens’?

Het enige dat door zou kunnen gaan voor een onderbouwing van deze potsierlijke claim is de verwijzing naar geografische spreiding: “… islamitische geleerden uit de westerse wereld en geestelijke autoriteiten uit weinig verlichte islamitische landen als Saoedi-Arabië en Jemen.” Die éne Saoedi die getekend heeft, behoort intussen tot de minderheid van de ondertekenaars die bij wijze van omschrijving van zijn autoriteit slechts de aanduiding ‘preacher and scholar’ heeft; zonder verdere titel of machtspositie. Bijna een derde deel van de ondertekenaars komt uit Egypte en nog eens een derde woont in een westers land. Uit grote landen die te boek staan als wat méér verlicht, zoals Indonesië en Turkije bijvoorbeeld, heeft toch maar één man getekend.

Pijnlijker is het, dat haar ook niet is opgevallen dat dit gezelschap louter fundamentalistische soennieten telt. Het gaat er bij mij niet in dat Halsema nog nooit gehoord zou hebben van de grootste tweedeling die er bestaat in de wereld van het mohammedanisme: die tussen soennieten en sjiieten. Is het niet tot haar doorgedrongen dat IS juist aan de weg timmert in de twee landen – Irak en Syrië – die het meest verscheurd worden door deze langstlopende serie van politieke conflicten uit de wereldgeschiedenis? Wanneer integere leden van de oelema aan de gang waren gegaan met een ‘gematigd’ antwoord aan IS, zouden die hun stinkende best hebben gedaan om tenminste zowel soennieten als sjiieten onder hun verklaring te krijgen.

Zoiets is ook niet onmogelijk. 10 jaar geleden werd op initiatief van de koning van Jordanië bijvoorbeeld de zogenaamde verklaring van Amman opgesteld. Ondertekend door ‘geleerden’ uit beide stromingen; in totaal meer dan 500. Hij werd ook omarmd door de belangrijkste politieke organisatie van het mohammedanisme: de OIC. Twee van de drie onderwerpen uit ‘Amman’ komen uitgebreid aan de orde in de ‘Brief aan Baghdadi’ – (2) Is it permissible to declare someone an apostate (takfir)? (3) Who has the right to undertake issuing fatwas (legal rulings)? –, maar de briefschrijvers van september 2014 noemen die verklaring niet.

Geen korte metten
Halsema beweert naar aanleiding van de verklaring dat er “… in de islamitische wereld een paar reuzenstappen gezet” worden en “In niet mis te verstane taal de ondertekenaars korte metten [maken] met de ideologie van IS als ‘islamitisch.’ “

Waar te beginnen?

De open brief voert een stortvloed van argumenten aan, min of meer gesorteerd onder 24 losse kopjes. Als er één ding is dat erin opvalt is het juist de lof aan het adres van IS voor hun poging om zich aan de mohammedaanse voorschriften en denkwijze te houden.

Halsema laat eenvoudigweg niet tot zich doordringen dat deze mannen staan voor een totaal ander waardensysteem dan het onze. Deze lieden zijn – evenzeer als de machthebbers in Saoedi-Arabië – vijanden van concepten als gelijkwaardigheid en democratie en fans van de 13e eeuwse ‘uitvinder’ van takfir bedrijven: Ibn Taymiyya. Hun punt 21 gaat over het voor dit volk heel belangrijke vraagstuk van ‘rebelling against the leader’: opstand tegen De Heerser, een bijzondere variant van takfir. Onder dit kopje verklaren ze terloops dat ‘evildoing’ minder erg is dan ‘disbelief’.

Over de betekenis van zoiets moet je echt een paar seconden (durven) nadenken.

Beslist wel jihad
Het kopje met de meeste tekst eronder is punt 8: jihad. Heilige oorlog dus.‘All Muslims see the great virtue in jihad’. De tekst begint met een tweetal koranverzen en de mannen voegen er voor alle duidelijkheid aan toe ‘and many other verses’. Nog uitgesprokener zijn ze over de vanzelfsprékendheid van de heilige oorlog: ‘Muslims may face circumstances where combat is not called for’.

De laatste regel van hun laatste punt – over de oproep te ‘emigreren’ naar het IS-kalifaat – is een regelrechte jihad-kreet: ‘And when you are called to war, march forward.’

‘Combat’ en ‘march’: ze laten er dus geen enkele twijfel over bestaan dat ze het echt hebben over oorlog. Om alle misverstanden op dit punt uit te sluiten voeren ze onder punt 8 ook nog het bekende riedeltje op over ‘lesser jihad’ en ‘greater jihad’: heilige oorlog is dan ‘the lesser’ en gevecht met het eigen ego ‘the greater’. Vanwaar deze prietpraat? Is de heilige oorlog soms minder gruwelijk of minder misplaatst nu zij er het etiketje ‘lesser’ op hebben geplakt? De mannen beweren alleen dat er een strijd bestaat die zijzelf nog belangrijker vinden dan die heilige oorlog: voor niemand van enig belang dan voor henzelf! Ze laten onder dit punt ook nog expliciet weten dat jihad niet gevoerd mag worden tegen andere mohammedanen. Met een onmiskenbare suggestie dus ten aanzien van jihad tegen niet-mohammedanen.

Ze gaan heel ver. Ze loven bijvoorbeeld de strijdlust van de kalief en zijn mannen: ‘it is clear that you and your fighters ar fearless and are ready to sacrifice in your intent for jihad. No truthful person following events – friend or foe – can deny this’.

Ze zijn in bepaalde opzichten ook heel eerlijk.

Wanneer ze schrijven ‘there is no such thing as offensive, aggressive jihad’, voegen ze daar aan toe dat dat de opvatting is van allerlei kopstukken ‘with the exception of some scholars of the Shafi’i school.’ Goed nieuws denk je misschien, maar let op: dit is dezelfde ‘rechtsschool’ waar ze op andere plaatsen in de brief juist naar verwijzen om hun verhaal te ondersteunen: een illustratie van hun geringe affiniteit met logica.

Geen andersgelovigen op het schiereiland
Nog eerlijker zijn ze. Ze leggen uit dat je goed het onderscheid in de gaten moet houden tussen de intentie, de reden en het doel van de jihad. Volgens de briefschrijvers zijn alle ‘scholars’ het over dat laatste eens: bevecht ‘hen’ tot er geen ongeloof meer is en als ‘hunnie’ ophouden met verzet plegen zal er geen vijandigheid meer zijn, behalve tegen ‘evildoers’. Bij wijze van nuancering voegen ze de suggestie toe dat alleen destijds, onder aanvoering van Mohammed zelf, het doel mocht zijn om te overwinnen over alle andere godsdiensten en dat het verjagen van andersgelovigen (‘idolators’) daarom alleen betrekking heeft op het Arabische schiereiland. Ze laten zich niet uit over de vraag waar dat schiereiland begint. De Encyclopedia Brittanica vermeldt over het schiereiland dat het in het noorden, zonder duidelijke scheidslijn, overgaat in de woestijn van Syrië: het werkterrein van IS.

Het gezelschap laat onder dit punt ook weten dat het doden van krijgsgevangenen alléén toegestaan is wanneer het oorlogsmisdadigers betreft en ‘the ruler orders it.’ Ze verwijzen in dit verband naar de doodstraffen die werden opgelegd bij de Neurenberg processen, maar malen er blijkbaar niet om dat Al Bahdadi zichzelf natuurlijk beschouwt als zo’n ‘ruler’, dat tienduizenden, zo niet miljoenen, dat met hem eens zijn en dat het oordeel of iemand oorlogsmisdadiger is of niet binnen hun ideologie aan diezelfde ‘ruler’ is voorbehouden.

Halsema beweert dat volgens de fundamentalisten graven en gedenktekens niet verwoest mogen worden. Een van de vele voorbeelden van haar lariekoek: de brief vermeldt keurig dat er onenigheid bestaat over deze kwestie, er is alleen zekerheid dat het niet mag met de graven van profeten en van de vrienden van Mohammed. En zo gaat het maar door.

Geen jóódse homo’s
Zelfs over wat ik als het meest beschamende en onthullende onderdeel beschouw van deze open brief – de passage over christenen en yezidi’s – is Halsema lovend. De fundamentalisten verlenen in hun goedertierenheid het predikaat ‘mensen van de Schrift’ aan deze IS-slachtoffers. Aan deze slachtoffers. Het is alsof je in discussie – of dialoog? – met nazi’s over het uitroeien van homo’s het argument aanvoert dat niet alle homo’s joods zijn. Hun referentiekader is diezelfde weerzinwekkende ideologie van de politieke islam met haar strikte indeling van de mensheid in categorieën, voor wie – als vanzelfsprekend – verschillende regels en wetten gelden.

Geen probleem met racisme

Onder het kopje slavernij (punt 12) geven de would be hervormers eerst hoog op van de houding van Mohammed zelf op dit punt om te vervolgen met “For over a century, Muslims, and indeed the entire world, have been united in the prohibition and criminalization of slavery…”. Een wel heel bijzondere weergave van de geschiedenis. De mohammedaanse wereld ging pas meer dan 1000 jaar na het vermeende voorbeeld van de profeet hem daarin volgen. Toevallig in dezelfde tijd dat het verderfelijke christelijke Westen morele en militaire druk uitoefende om hún voorbeeld te volgen. Saoedi-Arabië schafte overigens pas in 1961 de slavernij officieel af en Mauretanië nog later. In zo’n context verbaast het niet dat ze bij het belangrijke punt 21 er geen been in zien om een racistische uitlating van hun profeet aan te voeren als argument: “Listen and obey even if an Abyssinian whose head is like a raisin is given authority over you.”

Geen verbod op voetbal
De boodschap, de agenda eigenlijk van deze mannen, is het uitdragen dat zíj degenen zijn die weten wat de mohammedaanse god en zijn profeet bedoelen. Dat blijkt al direct uit de aanhef: “In naam van God, …”. Ze spreken nadrukkelijk over de terugkeer van Bahgdadi en zijn mannen naar de/hun rechte lijn. Het blijkt in zekere zin nog duidelijker uit het doen van uitspraken over onderwerpen die niets te maken hebben met het oordeel over IS. Zij weten bijvoorbeeld wat hun god en diens profeet vinden van voetballen: het is “permissible in principle in Islam”. Ze geven vanuit hun positie van gezag deze toestemming door, naar aanleiding van het feit dat IS filmpjes van het schoppen tegen afgehakte hoofden ‘uitzond’ ten tijde van de wereldkampioenschappen. Ja, dát vroegen wij ons af in het kader van de oordeelsvorming over IS: is voetballen eigenlijk toegestaan?

Geen logica maar diarree
Dat dit stuk zo lang is en eigenlijk nog langer zou moeten zijn, is slechts gedeeltelijk te wijten aan mijn manier van formuleren. In ‘discussie’ met deze lieden stuit je op het onderliggende probleem van de fundamenteel andere waarde die zij toekennen aan logica en consistentie.

In de inleiding halen ze een vers aan en verklaren daarover: “This is true for all time and place. (…) It is a general and unconditional statement taken from the Qu’ran itself. However..”, de kreet “sent with the sword” is van de Hadith die men op dient te vatten als plaats en tijdgebonden. Verderop vinden we dan weer een suggestie dat ook Koranteksten plaats en tijdgebonden zijn.

Onder punt 9 (takfir), onderdeel c, citeren ze eerst ‘de boodschapper’: “hypocrites [een specifieke groep van mensen binnen het mohammedanisme met een eigen mening] truly are liars”, maar even verderop lezen we dan weer: “It is forbidden to declare an entire group of people non-Muslim.”

Per onderwerp gooien ze een onsamenhangende lading argumenten over de schutting. Met name in de Executive Summary vallen de cirkeldefinities extra op. Bijvoorbeeld het bekende: “It is permissible [for scholars] to differ on any matter except those fundamentals of religion that all Muslims must (!) know.“

Ook hier weer die eerlijkheid: aangevend dat die toestemming alleen geldt voor hun kaste, niet voor anderen: de oelema horen de baas te zijn. Halsema volgt hierin het afschuwelijke voorbeeld van haar voormalige collega in de GL-fractie: de bange mohammedaan Tofik Dibi, die aan een haatprediker onderdanig vroeg of hij … minder streng wilde zijn.

De problematiek van het mohammedanisme in een notendop: Allah heeft geen boodschap, alleen een boodschapper. Sinds diens dood is het aan de oelema om voor Mohammed – en dus indirect voor god – te spelen.

PS: Dit essay is een Nederlandse bewerking van een deel van een hoofdstuk uit het e-bookIS, the Kurds and the Caliphate

1 reactie

  1. 16 november 2015

    […] Boeddha? En ja, je bereidheid om je serieus te verdiepen in dit soort vragen geeft wel een zekere indicatie voor jouw integriteit en behoefte aan zelfbedrog. De beantwoording van deze vraag is echter van weinig belang voor de beantwoording van de andere […]