DE WERELD NU

Recensie – De democratie en haar media

Nederlandse stierenvechter

Enige weken terug promoveerde Sid Lukkassen in Nijmegen op een proefschrift over de democratie en haar media.

De democratie en haar media is de handelsversie van het proefschrift. Een heel interessant boek met een prikkelende stellingname.

Kort samengevat is de conclusie van Lukkassen, dat de voortgaande technologische ontwikkelingen mede debet zijn aan een veranderende democratische beleving. De laatste woorden van dit boek beschrijven dat er een steeds hechter sociale gemeenschap ontstaat die via technologie communiceert – waarmee de internetgemeenschap wordt bedoeld. Wat weer het gevaar in zich draagt dat een persoon dat zich er niet aan aanpast, uitgestoten worden (ostracisme) kan door het sluiten van zijn accounts. Dat Lukkassens conclusie is gebaseerd op een moderne angst voor technologie ontzenuwt hij door te wijzen op al uit de Oudheid bekende verhalen over een reusachtige machine die ook gestopt kon worden, daarmee onderstrepend dat het een gedachte is die al duizenden jaren aanwezig is. Laat ik daar aan toevoegen, dat zowel mythe van de Golem als de verhalen over Luddisme uit de 18e eeuw daarop naadloos aansluiten. Het is daarom herkenbaar, en dat de voortschrijdende technologie van invloed is op op de manier waarop we samenleven is eveneens onmiskenbaar. We zien het dagelijks om ons heen.

Maar of zo’n uitsluiting een sociale ramp is? Die vraag blijft buiten het blikveld van het onderzoek, maar ik moest bij het lezen onweerstaanbaar denken aan het Pink Floyd-project The Wall, waarvoor Lukkassen naar ik vermoed iets te jong is om dezelfde associatie te hebben. The Wall volgt een vrij aardig vergelijkbaar scenario als waar Lukkassen onderzoek naar doet, maar de uitsluiting die plaatsvindt aan het einde van The Wall is daarentegen niet de ultieme ramp, maar een verlossing die als een blessing in disguise wordt aangekondigd. Persoonlijk spreekt dat me erg aan, niet in het minst omdat de geschiedenis vol zit met massabewegingen van allerlei aard die het sociale leven verstikten. Uitstoting daaruit is lang niet altijd iets waar je slechter van wordt. Aanvankelijk ongelukkiger, zeker. Maar slechter? Ik betwijfel het.

Uiteindelijk is dat echter een kwestie van smaak, waarop ik het boek niet zou willen aanvallen. Dat er momenteel zeker een dergelijke ontwikkeling gaande is valt niet te ontkennen, en de waarschuwing van Lukkassen moet daarom serieus genomen worden.

Waar ik wel problemen mee heb is de manier waarop Lukkassen teruggrijpt op de Franse philosophes uit de 18e eeuw om zijn beeld van communicatieve gemeenschappen en de ontwikkelingen daarin te kenschetsen. Maar de philosophes bouwden een groot deel van hun redenaties op toenmalig bekende historische feiten. Zeker wat betreft de Oudheid is daarvan sindsdien niet heel veel overeind gebleven, door nieuwe ontdekkingen van teksten, een meer integrale aanpak en archeologische ondersteuning. Tijdens mijn studie heb ik bijvoorbeeld Gibbon gelezen, maar dat werd me sterk afgeraden voor gebruik als afstudeermateriaal. De rest van mijn toenmalige materiaal ondersteunde dat overtuigend.

Dat betekent alleen dat de basis voor de redenatie die Lukkassen hiermee legde niet klopt. Maar daarmee is het niet a priori waardeloos. De historische kennis waarop Macchiavelli zijn analyse van de meest effectieve manier van regeren construeerde kent een dergelijk probleem: de analyse deugt niet, maar de redenatie is prachtig en in essentie onweersproken.

Meer concreet gaat het om het beeld dat Lukkassen schetst van een communicatieve ruimte, die hij in het Romeinse rijk postuleert als een min of meer taalkundige eenheid, die later in verval kwam door een steeds gebrekkiger Latijn. Het probleem is dat dit beeld onjuist is. Anders dan we vaak denken was het Romeinse rijk verre van een taalkundige eenheid. Niet alleen waren oost en west gescheiden in een Latijns en Grieks taalgebied (dat laatste werd later het Byzantijnse rijk, dat cultureel behoorlijk homogeen was), maar tot circa het jaar 300 tenminste bleven de gesproken talen van vóór het tot stand komen (circa 1e eeuw v. Chr.) van dat Romeinse rijk springlevend. We weten dat door de overlevering van een wet uit het begin van de 3e eeuw – uitgevaardigd tijdens de dynastie van de Severi – die voortaan toestaat dat men zijn testament ook in het Punisch, Keltisch (westelijk rijksdeel), Syrisch of Egyptisch (oostelijk rijksdeel) mag maken. Tot dan mocht dat voor rechtsgeldigheid alleen in het Grieks of Latijn, maar de centrale overheid zag zich er kennelijk toe gedwongen het toe te staan omdat ook de lokale elites het Latijn en Grieks in grote delen van het rijk onvoldoende machtig waren. En als het Latijn of Grieks van lokale elites al gebrekkig was, hoeven we ons over de kennis van die talen van het gemene volk geen illusies te maken. Slechts de verbreiding van het christendom na 300 smeedde het rijk taalkundig tot een soort tweeëenheid. Met andere woorden, de communicatieve gemeenschappen die Lukkassen haalt bij de philosophe Turgot bestonden eenvoudig niet.

Hetgeen niet betekent dat ze later niet in een vergelijkbare vorm wel degelijk tot stand kwamen. Lukkassen noemt kleine gesloten taalgemeenschappen (zoals op eilanden) als voorbeeld van een snellere communicatieve ontwikkeling. Maar het feit dat het Romeinse rijk de taalverbreiding pas goed op gang kwam met de opkomst van het christendom door reizende predikers, suggereert dat de contactdichtheid waaraan mensen blootstaan voor het postvatten van nieuwe ideeën een belangrijker factor is dan het al dan niet bestaan van communicatieve gemeenschappen. Juist in de moderne tijd met televisie en het internet is het fenomeen van contactdichtheid juist heel herkenbaar als fenomeen par excellence.

Daarmee komt het betoog van Lukkassen weer in het getrokken spoor.

Een waardevol boek, dat het lezen meer dan waard is.


Sid Lukkassen ~ De democratie en haar media
421 pagina’s incl. noten etc.
April 2017
€27,90
Uitgeverij De Blauwe Tijger
ISBN:
Bestellen kan hier

3 reacties

  1. Over die uitstoting wil ik wel iets zeggen. In de oudheid gold uitstoting als de zwaarste straf. De mens heeft immers de anderen, de gemeenschap, nodig om het goede leven te verwerven of uberhaupt een leven als mens. Zoals Aristoteles zei: een mens die geen ander mens nodig heeft is ofwel een god ofwel een beest (maar dus geen mens).

    Het idee van onze gevangenisstraf is in wezen nog altijd die uitstoting: je wordt uit de gemeenschap gehaald. Dat die gevangenisstraf vaak weinig effectief meer is, heeft te maken met ons modern, liberaal individualisme waarbij de gemeenschap (Gemeinschaft) is vervangen door een vereniging van individuen (Gesellschaft). In die zin zijn we allen uitgestotenen geworden en vieren we dat als ‘vrijheid’. In positieve zin maakt dat ons allen tot goden (we zijn autonoom) maar in negatieve zin toch ook vaak tot asociale beesten…

  2. Cool Pete schreef:

    Interessante recensie.

    Het boek “De democratie en haar media”- alleen de titel al ! –
    lijkt mij heel belangrijk.
    Aleen via de media, kan de Vrijheid van Meningsuiting-Uiting waargemaakt worden.
    Hoe die media functioneren, is dus van levens-belang.

  3. Cool Pete schreef:

    Interessante recensie.

    Het boek “De democratie en haar media”- alleen de titel al ! –
    lijkt mij heel belangrijk.
    Alleen via de media, kan de Vrijheid van Meningsuiting-Uiting waargemaakt worden.
    Hoe die media functioneren, is dus van levens-belang.