DE WERELD NU

Nederlanders en migranten

Paradijs, migranten

Hoe Nederlanders kijken naar migranten is anders dan men individuele immigranten beziet. Dat is opvallend en veelbetekenend.

Wanneer iemand aan een doorsnee Nederlander vraagt wat hij van Marokkanen vindt, krijgt hij vaak een negatief gekleurd antwoord. Vraag je iemand of hij een hekel heeft aan individuele Marokkanen, aan Marcouch bijvoorbeeld of aan Aboutaleb, of vraag je hem over mensen die hij van dichtbij kent, van zijn werk bij voorkeur, dan ligt dat opeens heel anders. Aan Aboutaleb niet bijvoorbeeld en aan Marcouch wel. Dat zou kunnen. Groepen en mensen uit die groepen, dat zijn kennelijk twee verschillende categorieën

Op het kantoor waar ik een tijd lang wekelijks kwam was de meerderheid van de secretaresses allochtoon en niemand lette daarop. De meeste kantoorgenoten zouden denk ik niet eens weten hoeveel allochtonen en autochtonen er waren op dat kantoor. Het was geen item en het maakte in de praktijk geen verschil. Er werd ook geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten allochtonen. Als ze hun werk maar goed deden. Dat laatste is natuurlijk ook belangrijk. Maar dat gaat min of meer vanzelf op zo’n kantoor. Wie niet goed is wordt niet aangenomen of verdwijnt weer na korte tijd. Wat resteert is geen representatieve selectie meer; niet van allochtonen maar ook niet van autochtonen.

In de praktijk van het openbare leven lijkt er wel een groot verschil te worden gemaakt, niet alleen tussen autochtonen en allochtonen maar ook tussen allochtonen onderling. Surinamers zijn een ander soort mensen dan Antillianen. Turken beledig je door ze voor Marokkanen te houden. Er is bij onze nieuwe landgenoten duidelijk sprake van discriminatie tussen etnische groepen, maar alweer, zonder dat dit noodzakelijk negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de relatie tussen individuen. Als mensen als individu en regelmatig met elkaar te maken hebben, dan blijken de persoonlijke eigenschappen zwaarder te wegen dan de groepsinvloeden.

Dat is de reden waarom werk zo’n goede integrator is. Dat neemt niet weg dat maar weinig mensen zich aan groepsinvloed kunnen onttrekken en dat deelname aan etnische conflicten onvermijdelijk lijkt als je die eenmaal de kans geeft om te ontstaan. De geschiedenis van het voormalige Joegoslavië kan als voorbeeld dienen. Daarom is het ook zo belangrijk dat etnische groepsvorming in de kiem wordt gesmoord. Overheden als de onze, die op dat punt nalatig zijn, begaan een belangrijke fout. Etnische tegenstellingen zijn menselijk en onvermijdelijk. Als duidelijk te onderscheiden groepen op het zelfde territorium naast elkaar leven, dan krijg je tegenstellingen. Tegenstellingen en vijandschap zijn zusje en broertje.

De Nederlanders in het voormalige Nederlands Oost Indië hadden vaak een sterke persoonlijke band met hun huispersoneel en verwachtten geen moment dat die met de opstandelingen gemene zaak zouden maken. Maar in de kampong heerste de opstand en het huispersoneel dat daar geboren was en woonde deed mee, dat kon niet anders. Groepsinvloeden zijn dominant en de humanistische leer die hier geldt en die deze invloeden van de hand wijst, is in dit opzicht gebrekkig. Wij lijden op dat punt aan zelfbedrog.

De problemen ontstaan overal waar we etnische groepen de kans geven zich als zodanig te organiseren. Hoe meer men er afwijkende normen en waarden op na houdt, hoe groter het probleem, maar ook: hoe meer een etnische groep zich tegen andere afzet, hoe groter het probleem. En tenslotte: hoe slechter de groep of delen van de groep zich gedragen, hoe groter het probleem. Wie wil weten hoe dit werkt zou zich met de historie van het Ottomaans rijk moeten bezig houden. Het midden oosten maakte daar onderdeel van uit en de Balkan. In de geschiedenis van het Ottomaanse rijk kan iedereen het ontstaan en de gevolgen van etnische conflicten in ‘Reinkultur’ bestuderen.

Het is duidelijk dat we de laatste decennia in Nederland een allochtonenprobleem hebben gekregen. Een moslimprobleem vooral. Een tijd geleden was er een demonstratie van moslims op het Museumplein. Ze waren, schat ik, met zestig man of zo, ongewapend maar voorzien van spandoeken waar in het Arabisch opstond dat Allah groot is en Mohammed zijn profeet. Daarmee wilden ze richting Amerikaans consulaat, maar de burgemeester had dat verboden, zeiden ze en ze gehoorzaamden aan het gezag. Ik weet dat van die spandoeken, niet omdat ik Arabisch lezen kan maar ik ben het gaan vragen. Daarbij werd mij eerst boos verteld dat Nederlanders en Amerikanen dieven waren en dat zij juist hard werkten: ‘hier mijnheer, met deze twee handen’, zei er een; maar na een minuut of zo koelde het af en had ik een interessant gesprek. Ik bedoel maar, ik was geen groep en geen bedreiging.

De politie was door de burgemeester op de demonstratie afgestuurd met een grote overmacht van honderden M.E.’s en overvalauto’s op alle hoeken van het plein en de omgeving. Wel goed voor de relaties met Amerika misschien, maar ook een beetje ridicuul. Dat moslimprobleem is er wel maar de overheid laat al te duidelijk zien dat ze van de aard ervan niet veel begrijpt.


Dit artikel verscheen eerder op het Blog van Toon Kasdorp