DE WERELD NU

Grote rondes beslist in “BELANGRIJKE etappes”? Waarom?

Grote rondes 1

Bij het analyseren van de Giro van dit jaar wordt veelvuldig gewezen op de fouten van winnaar Tom Dumoulin. Als hij die niet gemaakt zou hebben, dan…

Altijd heerst in dit soort – veelgemaakte – analyses de overtuiging dat de sterkste renner moet winnen. Het idee is dat die sterkste zich bewijst in bergritten en tijdritten en daarin beter is dan zijn concurrenten. Dat zie je bij analyses achteraf, maar ook bij voorbeschouwingen.

Dat analyseren is uitstekend. Niet vergeten mag worden dat een grote ronde juist geregeld niet wordt beslist in de zwaarste bergrit of de tijdrit, maar door “fouten” of zelfs blunders. Achter elke boom schuilt het gevaar.

Charlie Gaul verloor de Giro van 1957 door een te lange plaspauze…hij hield er de bijnaam Monsieur Pipi aan over.

Gele trui-drager Jan Janssen zat in de Tour van 1966 te babbelen achterin het peloton (he, waar kennen we dat van?) Concurrent Lucien Aimar profiteerde.

In 1982 won Marino Lejarreta de Vuelta door diskwalificatie van de nummer één; veelal wordt zo’n overwinning achter de jurytafel, zeker in het peloton, niet als ‘echt’ gezien.

20120327-untitled-173-ps.jpg

Erik Breukink verspeelde door een hongerklop TWEE goede kansen op een eindoverwinning in een grote ronde: de Giro van 1989 en Tour van 1990.

Claudio Chiappucci blies zich op in 1990 een etappe waarin hij eerder in de aanval was gegaan – had hij zichzelf overschat? Eenzelfde verhaal geldt voor Bernard Hinault in de Tour van 1986 Hij overschatte zichzelf zeker – of was erg onzeker.

In 1984 had dezelfde Hinault een vooruitziende blik toen hij met zijn ploegleider Greg Lemond naar hun ploeg haalde. In de Tour van 1985 scheelde het uiteindelijk zeer veel of Greg Lemond in een andere ploeg zou rijden (tegen Hinault dus) of, zoals nu het geval, voor hem!

Een echte oneerlijkheid zagen we in de Giro van 1983. Nummer twee Roberto Visentini had een snellere tijd dan Giuseppe Saronni; de laatste won puur door bonificaties. Al kun je daarop zeggen: “Dat wist Visentini vooraf, had hij of een ploegmaat van hem maar sneller moeten sprinten”.

De gladde passage DuGois waar veel renners vielen bleek beslissend in de Tour van 1999… Nummer 2 Alex Zülle verloor er 6 minuten op Lance Armstrong; de achterstand van de Zwitser in Parijs? Ruim 6 minuten.

Het idee achter deze analyses is dan vaak: Als Pietje niet had geslapen achterin het peloton, als Jantje niet gevallen was, als … ie niet had geblunderd met dit… DAN had-ie kunnen winnen.

Maar zo werkt sport dus niet. Op de Belgisch tv krijgen de commentatoren geen genoeg van het geleuter over ‘de sterkste man van de wedstrijd’ (en wie dat is bepalen zij zelf, vaak is het een Belg…).  Op Eurosport hoorde ik gisteren: “Laten we hopen dat er niemand valt, zo wil Dumoulin niet winnen”.

Maar in de praktijk betekent de sterkste zijn: niet vallen, geluk hebben, profiteren van fouten of vermeende fouten en vooral ook: je tegenstander onder druk zetten.

Sporters maken zelden ‘zomaar’ fouten; die volgen vaak pas nadat de druk te hoog opliep. En zo tellen verschillen in elke etappe mee, ook de vlakke ritten, ook de zogeheten ‘cadeautjes’ en ‘gelukjes’.

Overigens: soms zijn analyses ook gewoon regelrecht fout. Roger Walkowiak wordt vaak aangewreven dat hij de Tour van 1956 won dankzij een lange ontsnapping. Alsof dat zijn overwinning minder zou maken! Echter, de waarheid ligt ook nog eens anders!


Dit artikel verscheen eerder op het Blog van Renzo Verwer

1 reactie

  1. Thomas schreef:

    In feite bestaat toeval eigenlijk niet eens in de wielersport. Toen Harm Ottenbros wereldkampioen werd, werd er net gedaan alsof hij de wereldtitel niet verdiend had. Wat bijna niemand besefte was, dat Ottenbros in een korte sprint tot de absolute wereldtop hoorde. Velen denken, dat Lance Armstrong de tour steeds won omdat hij doping nam.
    De waarheid was, dat Armstrong tot op het psychopatische af een perfectionist was. Hij was in alles beter, in training, omgaan ofwel terroriseren van ploegmaats, leiding geven aan de ploeg en het peleton, dollars opstrijken. Hoe hij steeds won was in feite simpel. In beslissende bergettappes draaide hij een klein verzet in hoog tempo naar de top en nam daar een beslissende voorsprong. Daar moet hij vele uren speciaal op getraind hebben in de bergen.
    Armstrong was in bijna alles de beste en inderdaad ook in doping, maar dat namen ze (bijna) allemaal, alleen had hij ook daar zijn zaken beter geregeld.
    Dat Dumoulin de racekak kreeg heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met het innemen van snelwerkende koolhydraten (suikers). Je ziet het dikwijls bij lange-afstandslopers en tri-atleten. Opeens lopen ze leeg voor de finish en loopt de smurrie langs hun benen. Dan hebben ze dikwijls voor de wedstrijd aan overcompensatie gedaan. Dat houdt in, dat ze zich leeg trainen in een lange duurtraining waardoor hun lever bijna geen brandstof (glycogeen) meer heeft. Daarna stoppen ze zich voor de wedstrijd vol met zoetigheid (suikers). Hun lever herinnert zich de beroerde lege toestand en maakt dan voor de veiligheid een dubbele voorraad glycogeen (brandstof) aan. Als het goed gaat dan hebben ze een groot voordeel Als ze pech hebben dan krijgen ze diarree. In ieder geval suikers zullen wel grotendeels schuldig zijn aan de diarree van Dumoulin.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *